“Slapen, ik wil slapen”, mompelde de dronken Indiër. “Ok, slaap dan, maar doet dat alstublieft niet op mijn kabas.” Wel, daar had het meisje misschien wel een punt.
Wat een traditioneel saai zondagsritje met de trein naar Leuven moest worden, kende toch een ietwat opmerkelijke afloop. Zo eentje die ik moeilijk voor mezelf kan houden, ook al had ik me voorgenomen hier deze week niets te schrijven. Welaan dan, vijf minuutjes tijd heb ik wel. Ergens halverwege de rit wandelt er dus een man van Indische afkomst de wagon binnen. Dat klinkt als het begin van een flauwe kalendergrap, maar het zij zo. Trouwens, laat het ons eerder waggelen noemen, wat ’ie deed. Uiteraard bleek de enige vrije zitplaats zich recht tegenover mij te bevinden. Hoewel de man zijn uiterste best deed om niet te laten merken dat hij dat centimetertje te diep in het glas had gekeken, bleek al snel dat het vergeefse moeite was. Die geur, man. Die geur!
Vijf minuutjes, meer had de man niet nodig om in een diepe slaap te vallen. En met diep, bedoel ik ook echt diep. Net zoals dat vallen nogal letterlijk genomen mag worden. Na de schouder van mijn overbuur als kopkussen gebruikt te hebben, bleek al gauw dat ’s mans evenwichtsorganen er danig genoeg van hadden. Op het ritme van de oneffen sporen vlak voor het Leuvense station schokte de man heen en weer, tot hij met een harde smak een bed vond in het gangpad.
“Dames en heren, we komen aan in het station van Leuven.” De man stond recht, keek even verdwaasd rond en sprak dan de profetische woorden: “Zo, hier zijn we weer. We hebben geslapen, en nu zijn we een nieuwe mens.” Ik wenste de man een prettige avond en wandelde met een brede glimlach het centrum binnen.
Deze kon ik toch moeilijk voor mezelf houden. Of Niet soms?